Stoop

mannelijk/vrouwelijk (de)/stop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eenheid (eenheid) oude maat voor vloeistoffen (1 stoop bedroeg ongeveer 2,4 liter)
    1=De lokale edelman kreeg 4 kannen of 8 stopen. Dit is bijna 20 liter wijn. Een geschenk van om en bij 64 d gr (=825 euro). De burgemeesters, de baljuw en de schout ontvingen ieder 4 stopen of ongeveer 10 liter wijn. En dan zakte men verder af over de schepenen, 2 stopen, tot helemaal beneden de ladder, de meesterswerklieden in stadsdienst. Zij moesten het stellen met een vierde van een stoop.

Etymologie

* van Middelnederlands "stoop", in de betekenis van ‘vloeistofmaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1101

Uitdrukkingen

  • Op stopen trekkenVoor de gek houden