Thora

vrouwelijk (de)/ˈtora/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. exemplaar van de Thora, het heilige boek van het jodendom
    Om de thora zit een speciaal gemaakt fluwelen 'manteltje'.

Etymologie

* van תּוֹרָה (tora) "wat onderwezen wordt, leer, instructie"