Tinnegieter

mannelijk (de)/ˈtɪnəˌɣitər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die voorwerpen maakt door het metaal tin te smelten en in vormen te laten stollen en daarna af te werken
    De zelfstandige ondernemer uit Belgrado – oorspronkelijk werkzaam als tinnegieter – adverteert met zijn nummerborden in lokale kranten.
  2. figuurlijk, politiek, pejoratief (figuurlijk) (politiek) (pejoratief) iemand die zich met veel gedrevenheid maar weinig kennis en ervaring op een bepaald vakgebied actief is

Etymologie

*[2] een verwijzing naar het toneelstuk De staatkundige Tingieter, een vertaling in 1766 van het blijspel Den Politiske Kandestøber uit 1722, geschreven door 18e eeuwse Deense toneelschrijver , over een ambachtsman die in de politiek gaat beunhazen; aanvankelijk werd vaak gesproken van "politieke tinnegieter"; vergelijk in het "Kannegießer" "politieke beunhaas" naast "Kannengießer" "ambachtsman"