Tol
mannelijk (de)/tɔl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een voorwerp dat om zijn as draait -> draaitol
- (speelgoed) een kinderspeeltuig dat met een zweepje tot draaiing gebracht wordt -> zweeptol
- een plaats die men slechts tegen betaling voorbij mag gaan
- geld dat bij een tol geheven wordt
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘doortochtgeld’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 973
Vertalingen
Engelstop, top, toll
Franstoupie, péage, péage
DuitsKreisel, Zoll, Zoll
Spaanspeón, peonza, trompo
Italiaanstrottola
Zweedssnurra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek