Truis

mannelijk (de)/trœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tros, bosje
    't Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord ‘Hemel’ gesneden stond.
  2. pluk tabak
    En een pijp steekt hij op. Met een grote truis boven de doorrookte kop.
  3. pluim, kwastje
    Voor een man was het een wit overhemd met overgekrulde halsband en een witte slaapmuts met een lange truis.
    Hangt nen truisch hem over 't hoofd,van den leeuwerk,van den leeuwerk,hangt nen truisch hem over 't hoofd,eer gij hem de vrijheid rooft.
  4. verouderd (verouderd) Bargoens drie
    truis ballen|drie franken

Etymologie

*[3] Bargoens; van "trois"[http://www.dbnl.org/tekst/_tij003192701_01/_tij003192701_01_0012.php?q=truishl1 "Bargoensch uit het begin van de twintigste eeuw." in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. jrg. 46 (1927) E.J. Brill, Leiden]; p. 137; geraadpleegd 2017-10-21