Vaart
mannelijk/vrouwelijk (de)/vart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- voortgangEr komt niet echt vaart in die plannen.
- (natuurkunde) opgebouwde snelheidBij een winkeltje mindert Daniel vaart en vraagt of ik iets wil eten of drinken.Juist als zijn hoepel enige vaart gekregen had, moest hij stilhouden en omkeren.De auto vloog met grote vaart de bocht uit.
- (waterbeheer) kanaal, bevaarbaar gemaakte watergangEr was een vaart langs het pad gegraven, waarin geen water stond.Deze vaart verbindt het dorp met de stad.
- (scheepvaart) het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroepHij zit op de grote vaart.
- reis, tocht
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "vaert" / "vart" van Oudnederlands "farth", van varen (), in de betekenissen ‘snelheid’ en ‘reis, tocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Uitdrukkingen
- volle vaart — met hoge, ongeremde snelheid
- met vliegende vaart — met grote snelheid
- Die appelen vaart, die appelen eet — datgene wat iemand zelf verkoopt eet/gebruikt die ook
- Hoe vaart ge?
- Zonder geluk vaart niemand wel — alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen
Vertalingen
Engelsspeed, momentum, canal
Fransallure, canal, navigation
DuitsGeschwindigkeit, Kanal, Schifffahrt
Spaansvelocidad, canal, navegación
Italiaansvelocità, canale, navigazione
Portugeesvelocidade, canal, navegação
Zweedsfart, kanal, sjöfart
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek