Vingerling
onzijdig (het)/ˈvɪŋərˌlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) hersteldijk die achter een wiel om aangelegd is
- (kleding) oog dat als versiering of kenteken om een van de vijf beweeglijke uitsteeksels van de hand is bevestigdZe lijkt op de schaamtelozekoopman die een ijzeren ringverkoopt voor een gouden vingerling.{{ouds
- beschermend omhulsel voor een van de vijf beweeglijke uitsteeksels van de handInderdaad de beiaardier moet a.h.w. ‘vechten’ tegen dit reuzeninstrument, maar het beheersen van de technische moeilijkheden geeft hem ook veel voldoening. (…) Hij schildert met tonen, en vormt zijn palet naargelang de aanslag met gekroonde pinkvinger (beschermd door een lederen vingerling), met licht gesloten hand, met een fervente vuistaanslag, soms met opengespreide hand, schakering ook naar gelang de aanslag vanuit de polsbeweging, de voorarmbeweging, vanuit de schouder gebeurt.
- (scheepvaart) bus voor de pen waarom het roer kan draaienDoor verwarring ook wel gebruikt als benaming voor deze roerpen.De vingerling van het roer werd geschraapt, de blokjes van de mast waren blank.
- (anatomie) vinger tussen de duim en de middelvingerAlle voornoemde relikwieën worden op 4 juli 1283 gedeponeerd in de kapel van H. Margaretha (van wie men een vingerling bezat en die op 20 juli werd gevierd), in aanwezigheid van deken Johannes de Corbie, de kanunniken en de aartsdiaken van Vlaanderen Johannes de Fieffes.
Etymologie
**[1] omdat het bovenaanzicht aan een gekromde vinger doet denken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek