Vissen

/ˈvɪsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, visserij (inerg), (visserij) vis proberen te vangen
    Soms ging ze met ons mee vissen en zat ik met haar op het plateau van de zijdrijver die ervoor zorgde dat de kano in evenwicht bleef.
  2. ergens uit halen
    De doelman viste de bal uit het net.
  3. iets proberen te weten te komen, proberen iemand iets te laten zeggen
zelfstandig naamwoord
  1. een groep van in water levende, gewervelde dieren die zich voortbewegen met behulp van vinnen en ademhalen door middel van onder meer kieuwen. De meeste vissen hebben een gestrekt, spoelvormig lichaam met vinvormige ledematen en een afgeplatte staart. Vissen kennen een rijke evolutionaire geschiedenis die teruggaat tot het cambrium, en de diversiteit aan lichaamsvormen en levenswijzen is enorm. Bijna alle soorten behoren tot de klasse der straalvinnigen ()

Etymologie

*: "vis" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • achter het net vissen
  • Iemand/iets om mee uit visen te gaanGezegd van iemand die prettig is in de omgang, of van iets dat aangenaam is
  • In dezelfde vijver vissenElk afzonderlijk op hetzelfde doel uit zijn, waardoor men elkaar tegenwerkt
  • Met een zilveren hengel vissenErgens vis kopen als men die niet zelf heeft kunnen vangen
  • Voor een vissers deur vissenTevergeefs moeite voor iets doen
  • Naar iets vissenDoor middel van indirecte vragen iets proberen uit te vinden, ergens achter proberen te komen
  • Ieder vist op zijn getij.
  • :Iedereen maakt gebruik van het geschikte ogenblik.

Vertalingen

Engelsfish, fish
Franspêcher
Spaanspescar
Portugeespescar, catar