Vuurbaak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvyrbak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) als signaal op hoog punt in brand gestoken materiaal
    In de oostwand is een nis afgedekt door een segmentboog waarover een platte laag loopt. In de nis een opening, die gesloten kon worden door middel van een luik en een sluitboom, wellicht om een vuurbaak buiten te hangen (vgl. toren Holwerd) voor hen die in de venen de weg bijster geworden waren.
  2. scheepvaart (scheepvaart) als signaal op hoog punt langs de kust in brand gestoken materiaal
    In de 16e eeuw werd de toren met ondergang bedreigd. (…) Later brandde er geen lamp meer op zijn plat, en deed een vuurhaard dienst als vuurbaak.
  3. bouwkunde (bouwkunde) hoge constructie langs de kust waarop als signaal brandstof wordt aangestoken
    De vuurbaak (…) is een wit gepleisterde vierkante vuurtoren uit 1605, gebouwd ter vervanging van een ouder exemplaar.
  4. verouderd, figuurlijk (verouderd) (figuurlijk) duidelijke boodschap waar mensen zich naar kunnen richten
    Maar reeds Herbart, wien prof. Spruyt zoo'n scherpe blik in de beoordeeling van het werk van anderen toeschrijft, hield de psychologie van Kant voor niets meer dan een mythologie. Ik heb dan ook nog nooit door iemand Kant op dit terrein tot voorbeeld of vuurbaak hooren stellen, dan eerst nu door prof. Spruyt.
  5. heraldiek (heraldiek) ijzeren korf waar vlammen uitkomen
    In ons land vindt men echter al in 1290 een gevierendeeld wapen n.l. dat van Arnoud Arnouds Belardssoene. In het 1e en 4e kwartier staat een vuurbaak (…), in het 2e en 3e een lelie.