Westhoek

mannelijk (de)/ˈwɛsthuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deelgebied dat zich vanuit een plaats van meer betekenis vooral uitstrekt in de richting van de ondergaande zon
    In de westhoek van de stad ligt een groot park.

Etymologie

*van Middelnederlands "westhoec", op te vatten als