Wolf
Wat is de betekenis van Wolf?
Wolf betekent: (roofdieren) bepaald zoogdier, , dat in groepen jaagt en voorkomt op het noordelijk halfrond
Betekenis
- (roofdieren) bepaald zoogdier, , dat in groepen jaagt en voorkomt op het noordelijk halfrond
- (medisch) tandwolf
Voorbeelden van "Wolf" in een zin
- In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen.
- Tot mijn opluchting zag ik dat het geen jonge beer, maar een grote vrouwtjescoyote was. Een soort kruising tussen een wolf en een vos.
Betekenis en uitleg van Wolf
Een wolf is een wild dier dat behoort tot de familie van de honden. Ze staan bekend om hun sociale gedrag en leven vaak in roedels, waarbij ze samenwerken om te jagen en hun territorium te verdedigen.
Het woord 'wolf' wordt vaak gebruikt in de context van de natuur en het milieu, maar het kan ook figuurlijk worden gebruikt om een persoon te beschrijven die als onbetrouwbaar of bedrieglijk wordt gezien. In verhalen en fabels komt de wolf vaak voor als een slechterik, wat bijdraagt aan de culturele betekenis van het woord.
Voorbeelden
- Tijdens onze wandeling in het bos hoorden we ineens het gehuil van een wolf in de verte.
- In de volksmond wordt een bedrieglijke zakenpartner soms een wolf in schaapskleren genoemd.
- De documentaire over wolven in de Alpen liet ons zien hoe deze dieren hun prooi vangen en hun jonge opvoeden.
Woordoorsprong
Het woord 'wolf' komt van het Oudgermaanse 'wulfaz', dat verwant is aan woorden in andere Germaanse talen, zoals het Engelse 'wolf' en het Duitse 'Wolf'.
Veelgestelde vragen over Wolf
Wat is de betekenis van Wolf?
Wolf betekent: (roofdieren) bepaald zoogdier, , dat in groepen jaagt en voorkomt op het noordelijk halfrond
Hoeveel betekenissen heeft Wolf?
Wolf heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft Wolf?
Wolf is een mannelijk (de).
Hoe gebruik je Wolf in een zin?
Voorbeeld: “In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen.”
Etymologie
* Van Middelnederlands "wolf" en Oudnederlands "wulf"; in de betekenis van ‘hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1001 . Verder te herleiden tot het Proto-Indo-Europese woord vraka of varka, wat in het Proto-Europees valka, ulka of valpa werd. In het Oudgrieks was het lukos, in het Latijn lupus en in het Oud-Germaans wolfe.
Uitdrukkingen
- De wolf bij de schapen opsluiten — Mensen die elkaar vijandig gezind zijn, bij elkaar brengen
- De wolf tot schaapherder maken — Iemand een bepaalde positie geven van waaruit die persoon veel kwaad kan aanrichten
- Een wolf in schaapskleren — Iemand die er op het eerste gezicht onschuldig uitziet, maar in werkelijkheid kwade bedoelingen heeft; bij uitbreiding iets wat of iemand die op het eerste gezicht niet opvalt, maar wel een gevaar in zich draagt
- Een hongerige wolf — Iemand die veel honger heeft en/of veel eet
- Eten als een wolf — Veel eten
- Huilen met de wolven in het bos — Het ergens niet mee eens zijn of niet goed snappen waar het eigenlijk over gaat, maar wel degenen die hierin de toon zetten gelijk geven
- de mens is de mens een wolf
- De wolf ruilt wel van baard, maar niet van aard — Mensen veranderen niet van karakter als ze ouder worden