Wolf

mannelijk (de)/ˈwɔlᵊf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) bepaald zoogdier, , dat in groepen jaagt en voorkomt op het noordelijk halfrond
    In dat gebied kun je vaak wolven zien lopen.
    Tot mijn opluchting zag ik dat het geen jonge beer, maar een grote vrouwtjescoyote was. Een soort kruising tussen een wolf en een vos.
  2. medisch (medisch) tandwolf

Etymologie

* Van Middelnederlands "wolf" en Oudnederlands "wulf"; in de betekenis van ‘hondachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1001 . Verder te herleiden tot het Proto-Indo-Europese woord vraka of varka, wat in het Proto-Europees valka, ulka of valpa werd. In het Oudgrieks was het lukos, in het Latijn lupus en in het Oud-Germaans wolfe.

Uitdrukkingen

  • De wolf bij de schapen opsluitenMensen die elkaar vijandig gezind zijn, bij elkaar brengen
  • De wolf tot schaapherder makenIemand een bepaalde positie geven van waaruit die persoon veel kwaad kan aanrichten
  • Een wolf in schaapsklerenIemand die er op het eerste gezicht onschuldig uitziet, maar in werkelijkheid kwade bedoelingen heeft; bij uitbreiding iets wat of iemand die op het eerste gezicht niet opvalt, maar wel een gevaar in zich draagt
  • Een hongerige wolfIemand die veel honger heeft en/of veel eet
  • Eten als een wolfVeel eten
  • Huilen met de wolven in het bosHet ergens niet mee eens zijn of niet goed snappen waar het eigenlijk over gaat, maar wel degenen die hierin de toon zetten gelijk geven
  • de mens is de mens een wolf
  • De wolf ruilt wel van baard, maar niet van aardMensen veranderen niet van karakter als ze ouder worden

Vertalingen

Engelswolf
Fransloup
DuitsWolf
Spaanslobo
Italiaanslupo
Portugeeslobo
Russischволк
Chinees
Japans
Koreaans늑대
Arabischذئب
Turkskurt
Poolswilk
Zweedsvarg, ulv
Deensulv