Wouw
mannelijk (de)/wɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (havikachtigen) benaming voor roofvogels uit het geslacht of het geslachtEen wouw heeft meestal een gevorkte staart.
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort plant, , afkomstig uit het Middellandse Zeegebied, die al sinds de prehistorie in Europa gekweekt wordt als verfplant voor zijn gele kleurstof
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "woude" Ontwikkeld uit Oergermaans *waldō-, misschien verwant met Latijn "lutum" ‘wouw’; cognaat met "wolde" en "weld".
Vertalingen
Engelskite, weld
Fransmilan, gaude
DuitsMilan, Färberwau
Spaansmilano, gualda
Italiaansnibbio, erba guada, guaderella
Portugeesmilhafre
Russischко́ршун
Japans鳶
Arabischحَدَأَة
Poolskania, rezeda żółtawa
Zweedsglada
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek