Zalm
mannelijk (de)/ˈzɑlᵊm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) benaming voor een aantal vissoorten uit de familie (zalmen)
- (pregnant) bepaald soort vis
- (voeding) spierweefsel afkomstig van vissoorten uit de familie
- (kleur) zachtrode kleur, als die van zalmen
Etymologie
*via Middelnederlands "salm" van Latijn "salmo", in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270
Uitdrukkingen
- het neusje van de zalm
Vertalingen
Engelssalmon
Franssaumon
DuitsLachs
Spaanslõhe, salmón
Italiaanssalmone
Portugeessalmão
Russischлосось
Japans鮭
Poolsłosoś
Zweedslax
Deenslaks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek