Zoom
mannelijk/vrouwelijk (de)/zom/
Wat is de betekenis van Zoom?
Zoom betekent: rand aan de buitenkant
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rand aan de buitenkant
- tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
Voorbeelden van "Zoom" in een zin
- Warmer water knabbelt aan de winterse zoom van de Herengracht, die haar doet denken aan opengewerkt kant, de voering van een reusachtige wieg.
- Aan de zoom van het bos is in het donker nog net een weitje te ontwaren, dat de heuvel afloopt tot de volgende bosrand.
- Ik moet er nog even een zoom in zetten.
- Dan denkt ze achter zich iemand te horen inademen, en er strijkt iets langs de zoom van haar jurk.
- Cornelia strijkt met haar hand over de zoom van Marens wijde rok, waarvan de zachte, zwarte wol plezierig aanvoelt.
Etymologie
*[B] van "zoom"
Vertalingen
Engelsborder, brim, brink
Spaansborde, linde, orilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek