aan

/an/

Betekenis

voorzetsel
  1. verbonden met, tegen, tegenaan
    Het schilderij hangt aan de muur.
    Zij zitten aan aan de maaltijd.
    De stad lag aanweerszij van de rivier.
  2. de ontvangende persoon (datief)
    Ik geef die rozen aan Sandra.
  3. op een bepaalde plaats
    aan boord: op het schip.
    aan wal: op het land.
    aan de kade: op de kade.
  4. bestaande uit
    Hij bezit een fortuin aan aandelen.
  5. verdeeld in, kapot gaan
    De spiegel viel aan diggelen.
  6. tegen, voor, à (gevolgd door een prijsindicatie)

Etymologie

*[6] Belgisch-Nederlands, vergelijk "à"

Uitdrukkingen

  • aan de hand
  • aan de lopende meter
  • aan het
  • aan het hart laten komen
  • aan het klokzeel hangen
  • de boot is aan
  • dienstbaar aan
  • het is aan

Vertalingen

Engelsto
Fransà
Duitsan, an
Spaansa
Italiaansa
Deens