aanbellen

/ˈambɛlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. bij iemand (aan de deur) bellen, op de knop van de elektrische deurbel van een huis drukken
    Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open.
    Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen.
  2. aan de deurbel trekken om die te laten rinkelen
    Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open.
    Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen.

Vertalingen

Engelsring
Duitsklingeln
Spaansllamar
Italiaanssonare all'uscio
Poolszadzwonic
Deensringe på