aanbidden

/amˈbɪdə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, religie (ov) (religie) vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
    In de kerkdienst werd God aanbeden.
    Je moet maar toekijken hoe ze proberen zichzelf vol te gooien met drank of geld of God of roem of wat ze maar aanbidden, en dan rotten ze van binnenuit weg tot er niks anders meer over is dan het geld of de drank of God, of waar ze hun heil maar bij zochten.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) een persoon op hogere waarde inschatten
    Sporthelden worden door veel mensen aanbeden.
    Vrouwen worden door hun mannen aanbeden.
    Je dient wat je aanbidt.

Etymologie

*van Middelnederlands "aenbidden" / "anebeden", op te vatten als , in de betekenis van ‘met geestdrift vereren’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsadore, adore
Fransadorer
Duitsanbeten
Spaansadorar, venerar, adorar
Italiaansadorare
Turkstapmak
Poolsuwielbiać