aanlooptijd

mannelijk (de)/ˈanlopˌtɛid/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de tijd die verloopt tussen het starten van iets en het moment dat iets volledig werkzaam is
    Volgens VVD-Kamerlid Helma Lodders is de materie echter ’ingewikkeld’ en behoeft de belastingontwijkingsmaatregel daarom een lange aanlooptijd. Ook elders binnen de coalitie wordt bevestigd dat er om die reden marge tot 2023 is genomen.de Telegraaf MARTIN VISSER EN LISE WITTEMAN 21 feb. 2018
    Ik (86 jaar) ben na 70 jaar in één keer gestopt met roken, ik heb geen aanlooptijd genomen. Op 13 januari 2017 ben ik van het ene moment op het ander gestopt. Ik las op een bijsluiter: help uzelf en stop en dat heb ik meteen gedaan. Ik ben er trots op.de Telegraaf 07 nov. 2017
    Het grootste probleem was tijd: "De aanvragen waren gedaan, maar ik kwam er snel achter dat we eigenlijk meer aanlooptijd nodig hadden voor het evement. Erg jammer, maar ja, ik heb gewoon een fout gemaakt. Gefaald, kun je ook zeggen."de Telegraaf 30 jun. 2016

Vertalingen

Engelsstart-uptime, priming time, running-in period