aannemer

mannelijk (de)/ˈanemər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
    Toch heb ik die Waalse aannemer drie weken geleden gebeld en gevraagd om dat twee meter hoge hekwerk rond mijn tuin te bouwen.

Etymologie

*afgeleid van aannemen

Vertalingen

Engelscontractor
DuitsBauunternehmer
Spaanscontratista, destajista, asentista
Italiaansappaltatore, appaltatore