aanrecht

/ˈanrɛxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) vaste tafel met kastjes langs keukenwand voorzien van een waterbestendig aanrechtblad
    De afwas van gisteren stond nog op het aanrecht.
    Het enige recht van de huisvrouw was vroeger het aanrecht.
    ‘Volgende ronde,’ zei ze met een scheve grijns op haar gezicht en ze zette beide borden op het aanrecht.

Etymologie

* In de betekenis van ‘keukenblok’ voor het eerst aangetroffen in 1542

Vertalingen

Engelsworktop, countertop
Fransévier
DuitsAnrichte
Spaansencimera
Zweedsköksbänk