aanrichten
/ˈanrɪxtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) veroorzaken, met name van schadeDie oplichter heeft al veel schade aangericht.De storm heeft veel schade aangericht.Hij slaat elke dag minimaal een halve fles whisky achterover. ’ Ze zuchtte. ‘Hij zit onder de medicijnen, verdomme nog aan toe. Je moet er toch niet aan denken wat die combinatie kan aanrichten.
Etymologie
* In de betekenis van ‘veroorzaken’ voor het eerst aangetroffen in 1597
Vertalingen
Engelscause
Franscauser
Duitsanrichten
Spaansocasionar, causar, instigar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek