aanvanger
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die iets startAanvanger. Bilderdijk bezigt dit woord niet alleen in den hier goedgekeurden, althans erkenden, zin van de kerkelijke spreekwijs, Betrachtingen, bl. 114: Hij, niet een Engel, was de Aanvanger uws geloofs. ... DBNL De Tijdspiegel. Jaargang 23(1866) [https://www.dbnl.org/tekst/_tij008186601_01/_tij008186601_01_0081.php Bijdragen tot het Woordenboek der Nederlandsche Taal.] geraadpleegd 24-nov-2018
- beginneling, onbedrevene... - Maar ook in den afgekeurden van onbedrevene; Mac-Benac, bl. 245: Schoon ik slechts een aanvanger in het levendig Christendom ben en met vele zwakheden nog worstel. - 'k Moet echter verklaren, dat de gronden, voor de afkeuring van dit woord bijgebragt, mij niet overtuigd hebben. Het woord beginner, 't welk de Redactie beweert, dat wij voor aanvanger zeggen, is zoo weinig gebruikelijk, dat Kramers' Woordenb. het evenmin heeft als dat van Weiland. DBNL De Tijdspiegel. Jaargang 23(1866) [https://www.dbnl.org/tekst/_tij008186601_01/_tij008186601_01_0081.php Bijdragen tot het Woordenboek der Nederlandsche Taal.] geraadpleegd 24-nov-2018
Etymologie
* van aanvangen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek