aanvoerster

vrouwelijk (de)/ˈaɱvurstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke aanvoerder
    Deze Nederlandse wielrenster is de nieuwe aanvoerster van de wereldranglijst.
    Zij was de aanvoerster van het team.

Etymologie

*Afleiding van aanvoeren .

Vertalingen

DuitsAnführerin