aartsschurk
mannelijk (de)/'artsxʏrk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die een hele erge misdadiger isHet moet wel een aartsschurk zijn, die Fomin, zei Grinjevitsj, doelend op een van de personen over wie de zaak ging, die zij onderhanden hadden.Talkshowpresentator Rush Limbaugh, die door Clinton in zijn boek als aartsschurk wordt geportreteerd, begon in de aanloop naar de verschijning van My Life het boek al meteen te betitelen als My Lie (mijn leugen).
Etymologie
*(intensiverende) afleiding van schurk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek