abacus

mannelijk (de)/ˈɑbɑkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) raam met staven waarop balletjes kunnen schuiven om kinderen te leren rekenen
  2. bouwkunde (bouwkunde) dekplaat van een kapiteel

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘telraam’ voor het eerst aangetroffen in 1515

Vertalingen

Engelsabacus, abacus
Fransabaque, boulier, abaque
DuitsAbakus, Abakus
Spaansábaco, ábaco
Portugeesábaco, ábaco