absoluut

/ɑpso'lyt/

Wat is de betekenis van absoluut?

absoluut betekent: niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. volledig, volkomen
  3. woorden met boekreferenties beslist, zeker
  4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
  5. woorden met boekreferenties zonder uitzonderingen of vrijstellingen

Voorbeelden van "absoluut" in een zin

  • De absolute bevolking was laag.
  • De aanwezige alcohol was absoluut helemaal verdampt.
  • We zijn een heel eind gekomen vergeleken bij Osteroy, jij en ik. Om nog maar te zwijgen van Sverre.Absoluut.
  • In dat land is een absolute koning aan de macht.

Betekenis en uitleg van absoluut

Het woord 'absoluut' betekent zoiets als 'volledig' of 'zonder enige beperking'. Wanneer iets absoluut is, is het in zijn geheel en zonder enige twijfel of voorbehoud.

Je gebruikt 'absoluut' vaak om aan te geven dat iets niet ter discussie staat of dat er geen uitzonderingen zijn. In gesprekken kan het een sterke overtuiging of zekerheid benadrukken, zoals in zinnen als 'ik ben absoluut zeker van mijn zaak'. Het kan ook gebruikt worden in formele contexten om de onbetwistbaarheid van een feit te onderstrepen.

Voorbeelden

  • Hij is absoluut overtuigd dat hij de wedstrijd zal winnen.
  • De regels zijn absoluut en er zijn geen uitzonderingen toegestaan.
  • Ze had absoluut geen spijt van haar beslissing om te verhuizen.

Woordoorsprong

Het woord 'absoluut' komt van het Latijnse 'absolutus', wat 'voltooid' of 'vrijgemaakt' betekent. Het is verwant aan woorden die duiden op volledigheid of definitieve staat.

Veelgestelde vragen over absoluut

Wat is de betekenis van absoluut?

absoluut betekent: niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks

Hoeveel betekenissen heeft absoluut?

absoluut heeft 5 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je absoluut in een zin?

Voorbeeld: “De absolute bevolking was laag.

Etymologie

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘volstrekt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1553

Vertalingen

Duitsabsolut
Engelsabsolute
Fransabsolu
Spaansabsoluto
csúplný, absolutní, naprostý