accent

onzijdig (het)/ɑkˈsɛnt/

Wat is de betekenis van accent?

accent betekent: (taalkunde) de manier waarop iemand de fonetische klanken uitspreekt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) de manier waarop iemand de fonetische klanken uitspreekt
  2. taalkunde (taalkunde) een diakritisch teken dat op een geschreven klinker kan worden geplaatst
  3. emfase, nadruk

Voorbeelden van "accent" in een zin

  • Zij heeft een West-Vlaams accent.
  • Al een kwartier na zijn intrek in de kamer wilde zijn nieuwe kamergenoot weten waar zijn accent vandaan kwam en toen heeft hij hem half grappend wijsgemaakt dat hij uit Cuba komt.
  • ‘Van Gooooo,’ klonk een tijdje later het trage zuidelijke Tennessee accent van Pogue, ‘Is er daar water?’
  • Er moet nog een accent op de letter e.
  • Het accent zal liggen op het ontslagrecht.

Etymologie

*Te herleiden tot het Latijnse accentus, voltooid deelwoord van accinere, al dan niet via ontlening uit het Frans. In de betekenis van ‘klemtoon’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsaccent, accent
Fransaccent, accent
DuitsAkzent
Spaansacento, acento
Italiaansaccento
Poolsakcent