accent
onzijdig (het)/ɑkˈsɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) de manier waarop iemand de fonetische klanken uitspreektZij heeft een West-Vlaams accent.Al een kwartier na zijn intrek in de kamer wilde zijn nieuwe kamergenoot weten waar zijn accent vandaan kwam en toen heeft hij hem half grappend wijsgemaakt dat hij uit Cuba komt.‘Van Gooooo,’ klonk een tijdje later het trage zuidelijke Tennessee accent van Pogue, ‘Is er daar water?’
- (taalkunde) een diakritisch teken dat op een geschreven klinker kan worden geplaatstEr moet nog een accent op de letter e.
- emfase, nadrukHet accent zal liggen op het ontslagrecht.
Etymologie
*Te herleiden tot het Latijnse accentus, voltooid deelwoord van accinere, al dan niet via ontlening uit het Frans. In de betekenis van ‘klemtoon’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsaccent, accent
Fransaccent, accent
DuitsAkzent
Spaansacento, acento
Italiaansaccento
Poolsakcent
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek