adamsappel
mannelijk (de)/ˈadɑmsˌɑpɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) vooruitstekende gedeelte van het strottenhoofd bij de man
Etymologie
*(eponiem): , in de betekenis van ‘strottenhoofd’ voor het eerst aangetroffen in 1757
Vertalingen
EngelsAdam's apple
Franspomme d'Adam
DuitsAdamsapfel
Spaansnuez, nuez de Adán, manzana de Adán
Italiaanspomo d'Adamo
TurksAdem elması
Poolsjabłko Adama, grdyka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek