adequaatheid
vrouwelijk (de)/adə'kwathɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin iets of iemand voldoende is om een bepaald doel te bereiken'Velen zijn gaan twijfelen aan de adequaatheid van de bestuursstructuur van onze academische instellingen en of de wens voor een democratische en gedecentraliseerde instelling haalbaar is.'
Etymologie
* afleiding van adequaat
Vertalingen
Engelsadequacy
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek