afbreken

/ˈɑvbrekə(n)/

Wat is de betekenis van afbreken?

afbreken betekent: (ov) met de grond gelijk maken

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met de grond gelijk maken
  2. ov (ov) voortijdig beëindigen
  3. ov (ov) door breken scheiden
  4. intr (intr) ergens vanaf breken, afknappen

Voorbeelden van "afbreken" in een zin

  • Het huis werd compleet afgebroken.
  • Bij zonsopkomst was iedereen druk in de weer om het kampement weer af te breken.
  • Afbreken contra opbouwen. Kwaad tegen goed.
  • Als een dam-, schaak- of go-partij niet binnen de afgesproken speeltijd beëindigd is, kan deze worden afgebroken.
  • „Dank jullie wel. Het is goed dat jullie gekomen zijn,” zegt Distel na 120 seconden. De groep mensen gaat uiteen. Anderen pakken hun afgebroken gesprek weer op. Brandweermannen brengen een groet. Een witte auto start zijn dieselmotor en rijdt weg. De burgemeester hurkt voor het monument en kijkt naar de namen.

Vertalingen

Duitsabbrechen, abbrechen, beendigen
Spaansderribar
Italiaansdemolire
Zweedsavbryta, bryta