afgrond

mannelijk (de)/ˈɑfxrɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grote steile diepte
    Hoogtevrees is de angst in een afgrond te vallen, nietwaar?
    Halverwege de oversteek stopte hij, keek met een grote grijns achterom, pakte zijn fototoestel en maakte een foto van de diepe afgrond en vervolgde zijn stappen naar de veiligheid van de rotsen, 20 meter verderop.

Etymologie

* uit het Middelnederlands

Vertalingen

Engelsabyss
Fransgouffre
DuitsAbgrund
Spaansprecipicio, abismo
Italiaansabisso