afgunst

vrouwelijk (de)/ˈɑfxɵnst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie (psychologie) gevoel van leed of spijt over het goede dat een ander te beurt valt en dat men hem niet gunt, niet alleen maar het lijden omdat men iets niet heeft maar ook het lijden omdat een ander het wel heeft
    De afgunst was op haar gezicht te lezen toen haar grootste concurrente de eerste prijs kreeg.
    Dat je na al die jaren van afgunst mij eindelijk naar beneden kunt halen omdat het nu even wat minder gaat.

Etymologie

*uit Middelnederlands aveonst (afhonst, af onst), avegonst, afjonste, van het werkwoord aveonnen, afjonnen (misgunnen) ; nu op te vatten als een samenstellende afleiding van af (bijwoord) en gunnen (werkwoord)

Vertalingen

Engelsjealousy, envy
Fransjalousie
DuitsMissgunst
Spaanscelos, envidia
Italiaansgelosia