afkoker
mannelijk (de)/'ɑfkokər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- soort aardappel die uit elkaar valt voor ze helemaal gaar is; zeer bloemige aardappelRijen fietsen met een joekel van een rek boven het voorwiel, zeg maar gerust: laadklep. Groot genoeg om vijf ongesneden vol-korenbroden, drie halfjes wit plus een gezinszak krentenbollen mee te kunnen vervoeren en dan hou je nog ruimte over voor een zak afkokers van tien kilo.
- dom persoon die een te zacht karakter heeft
Etymologie
* van afkoken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek