afkoker

mannelijk (de)/'ɑfkokər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. soort aardappel die uit elkaar valt voor ze helemaal gaar is; zeer bloemige aardappel
    Rijen fietsen met een joekel van een rek boven het voorwiel, zeg maar gerust: laadklep. Groot genoeg om vijf ongesneden vol-korenbroden, drie halfjes wit plus een gezinszak krentenbollen mee te kunnen vervoeren en dan hou je nog ruimte over voor een zak afkokers van tien kilo.
  2. dom persoon die een te zacht karakter heeft

Etymologie

* van afkoken