afleiden

/ˈɑflɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de aandacht van iemand naar een ander onderwerp laten gaan
    De zoon moest zijn vader afleiden, zodat de dochter ongemerkt naar buiten kon gaan.
    Een onbekende stem vertelde een eindeloos lange mop met een zeer matige clou, maar ik was allang blij afgeleid te worden.
    Ik tastte op het nachtkastje naar mijn telefoon, zette de meditatie-app uit en opende mijn mail. Ik moest mezelf maar weer afleiden. Tussen een woud van spamberichten, zag ik haar naam staan: Mirte van Reeden, hoofdredacteur Psychologie Magazine.
  2. ~ uit: begrijpen, concluderen
    Ik kon uit haar woorden wel afleiden dat ze het leuk had gehad.
    Uit de contouren kon ze eveneens afleiden dat de haardos van haar zus op zijn minst verwilderd te noemen was.

Vertalingen

Engelsdistract, conclude
Duitsablenken, ableiten
Spaansdistraer
Italiaansdistrarre