afmaken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets tot voltooiing brengen
    Heb je je werk al afgemaakt?
    Een heel ander leven had voor de hand gelegen toen hij naar Bergen kwam nadat hij het werk op de vlakte had afgemaakt.
  2. ov (ov) doden, euthanasie bedrijven op een dier (of minderwaardig geacht mens)
    Ter bestrijding van de epidemie werd op grote schaal het vee afgemaakt.
    Zelfs Albert, doodsbenauwd bij het idee te sterven, zou de eerste de beste afmaken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  3. iemand zoveel negatieve kritiek geven dat hij het nooit meer zal proberen
    Een leraar zal altijd proberen positieve kritiek te geven die de leerling zal aanmoedigen om het de volgende keer beter te doen. Een leraar mag nooit zijn leerlingen afmaken want dan zijn ze niet meer gemotiveerd om hun best te doen.
  4. een relatie verbreken
    Ik heb het uitgemaakt met mijn lief.

Vertalingen

Engelsfinish, cull
Fransterminer, achever, achever
Spaansacabar
Poolsskonczyć, zakonczyć