afnemen
/ˈɑfnemə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand iets ~: iemand iets doen verliezenHem werd zijn auto afgenomen.Zij had Jeroen van haar afgenomen, wist Chantal.
- (ov) een bepaalde hoeveelheid kopen bij een producentDe landbouw neemt veel producten af van de chemische industrie.De overheveling heeft ook gevolgen voor de 60 tabakstelers in Zuid-West-Vlaanderen. Die produceren jaarlijks samen 120 ton tabak. Tot de sluiting blijft Gryson tabak afnemen.
- (ov) van een bepaalde plaats verwijderen, afdoen, wegnemenIk heb zojuist stof afgenomen.de hoed afnemen.
- (ov) plechtig laten afleggen, doen ondergaan (examen, verhoor, eed)Hem werd een eed afgenomen.
- (erga) minder groot of talrijk worden, verminderen [1]Het geweld in Bosnië is gelukkig sterk afgenomen.
- (erga) afvallen (in lichaamsgewicht afnemen)
Vertalingen
Spaansquitar, arrebatar, comprar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek