afremmen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de snelheid van iets doen verminderen
    Hij remde de wagen af.
  2. erga (erga) minder vaart maken
    Optrekken en afremmen.
    De wagen remde af.
  3. ov, figuurlijk (ov), (figuurlijk) verminderen; vertragen
    Medicijnen tegen een hoge bloeddruk of allergieën kunnen de lust afremmen.
    De te enthousiaste jongen moest door zijn ouders worden afgeremd.
    Dit ben ik niet, dit is de oude Bibi. De doortrapte advocate die over lijken ging om haar zin te krijgen. Ik zou haar kunnen afremmen, maar ik doe het niet.
  4. refl (refl) zich afremmen: de snelheid van zichzelf doen verminderen
    Heel voorzichtig nam ik drie stappen om te kijken of het toch mogelijk was om nieuwe treden in de sneeuw te maken, maar bij de vierde stap gleed ik uit en prikte nog net op tijd mijn wandelstok de sneeuw in om me af te remmen.

Vertalingen

Spaansrefrenar, enfrenar, frenar