afscheid

onzijdig (het)/ˈɑfsxɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een begroeting bij het elkaar verlaten
    Bij een afscheid kun je beter zeggen tot ziens dan vaarwel, want bij vaarwel denk je iemand nooit weer te zullen ontmoeten.
    Plotseling voelde hij dat het tijd werd afscheid van de oude man te nemen en een poging te doen om de andere oever te bereiken.{{Aut|Herzen, Frank
    Het afscheid van de gestorven graaf is officieel een privéaangelegenheid. Maar een rouwstoet met vijfhonderd genodigden die van de Grote Kerk in het centrum van Almelo naar het mausoleum op het grafelijke landgoed ten oosten van de stad wandelt is ook een publieke aangelegenheid.

Etymologie

* uit het Middelnederlands

Vertalingen

Engelsparting, farewell, good-bye
Fransadieu
DuitsAbschied
Spaansdespedida, adiós
Italiaanscongedo
Russischпрощание
Poolspozegnanie