afscheiding

vrouwelijk (de)/'ɑfsxɛɪdɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wat afgescheiden wordt, wat uiteen gaat
    De afscheiding van melk bij de moeder hield op toen het jong gespeend werd.
  2. datgene wat zaken scheidt
    Ze brachten een afscheiding aan tussen de twee delen van de weide door middel van een hek.
  3. het uiteengaan van twee organisaties of staten
    De spanningen in het koninkrijk van Willem I leidden tot de afscheiding van België.
    Na de afscheiding van België raakte het koninkrijk in geldproblemen en moest Reuvens zijn opgraving in Voorburg zelf bekostigen.NRC Theo Toebosch 11 mei 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/05/11/rijksmuseum-van-oudheden-200-jaar-graven-naar-schatten-in-de-grond-a1602629 Rijksmuseum van Oudheden: 200 jaar graven naar schatten in de grond ]

Etymologie

* van afscheiden

Vertalingen

Engelsseparation, discharge
Fransséparation
DuitsTrennung
Spaansseparación
Italiaansseparazione