afscheper

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die rechtvaardige verzoeken en vragen van een ander afdoet met een smoesje
    In List en leugen analyseert de Russisch-Amerikaanse psychologe Maria Konnikova (1987) op lucide wijze de trucs waarmee geslepen daders hun slachtoffers in de val lokken. In met anekdotes en voorbeelden doorspekte hoofdstukken als ‘de opzet’, ‘de babbel’, ‘de fuik en de slag’ , ‘de afscheper en de fixer’ buigt Konnikova zich over verschillende vormen van bedrog – van miljoenenfraudes tot skimming – en laat ze zien wat fascinerende oplichters met elkaar gemeen hebben. NRC Toef Jaeger 1 september 2016 [https://www.nrc.nl/nieuws/2016/09/01/de-wereld-wil-bedrogen-worden-3535710-a1519144 De wereld wil bedrogen worden]

Etymologie

* van afschepen