afschot

onzijdig (het)/'ɑfsxɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een bewust aangebrachte helling van een vlak of leiding voor het doen af- of weglopen van vloeistof
    Er was onvoldoende afschot waardoor het water op het dak bleef staan.

Etymologie

*17de eeuw