afschrijven
/ˈɑfsxrɛivə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een afschrift maken, met de hand kopiërenHij maakte een afschrijving van de polisvoorwaarden.
- (ov) (boekhouding) de veroudering van een bezit in termijnen in de boeken verwerkenNa vijf jaar was de auto helemaal afgeschreven in de boekhouding.
- iemand niet meer belangrijk vinden, iets zonder waarde vindenHet duurde een hele tijd voordat de vrouw de onbetrouwbare man helemaal kon afschrijven, want liefde maakte blind.Na het grote ongeluk moest de auto helemaal worden afgeschreven, want de reparatie kost meer dan de auto waard is, de auto is total loss.
- (bouwkunde) lijnen op een werkstuk aanbrengen, waarlangs bewerkingen moeten worden gedaanDe timmerman had enige moeite met het afschrijven van het ingewikkelde werkstuk.
Vertalingen
Spaansdescargar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek