afsluiten
/'ɑf.slœy.tə(n)/
Wat is de betekenis van afsluiten?
afsluiten betekent: (ov) zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
Betekenis
werkwoord
- (ov) zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
- (ov) zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
- (ov) een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
- (ov) een einde maken aan
- zich afsluiten voor: geen contact willen hebben met
Voorbeelden van "afsluiten" in een zin
- De Deltawerken waren erop gericht om zo veel mogelijk zeearmen af te sluiten.
- Deze bosbrand dreigde mijn plan om de PCT in haar geheel te voet af te leggen in de soep te laten lopen. Een deel van de trail bleek inderdaad te worden afgesloten.
- "We willen altijd toezicht hebben op wat er in de tunnel gebeurt", zei een woordvoerder in het NOS Radio 1 Journaal. "Als er niemand in de verkeerscentrale is om toezicht te houden en ook snel af te sluiten als er een ongeval gebeurt, betekent het dat we de tunnel dicht moeten doen."
- Gas en elektra zijn al afgesloten, want we gaan morgen verhuizen.
- Heeft u een huisdier? Dan moet u ook een goede huisdierenverzekering afsluiten.
Vertalingen
Engelsdisconnect
Duitsverschließen, abdrehen, sperren
Spaanscerrar, desconectar, terminar
Italiaanschiudere
Poolszamknać
Deensspærre, spærre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek