afsluiten
/'ɑf.slœy.tə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doenDe Deltawerken waren erop gericht om zo veel mogelijk zeearmen af te sluiten.Deze bosbrand dreigde mijn plan om de PCT in haar geheel te voet af te leggen in de soep te laten lopen. Een deel van de trail bleek inderdaad te worden afgesloten."We willen altijd toezicht hebben op wat er in de tunnel gebeurt", zei een woordvoerder in het NOS Radio 1 Journaal. "Als er niemand in de verkeerscentrale is om toezicht te houden en ook snel af te sluiten als er een ongeval gebeurt, betekent het dat we de tunnel dicht moeten doen."
- (ov) zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbrekenGas en elektra zijn al afgesloten, want we gaan morgen verhuizen.
- (ov) een officiële afspraak op papier maken, officieel regelenHeeft u een huisdier? Dan moet u ook een goede huisdierenverzekering afsluiten.
- (ov) een einde maken aanDe politie in Londen heeft het onderzoek naar het zogenoemde partygate-schandaal afgesloten. In totaal werden 126 boetes opgelegd aan politici en overheidsmedewerkers. Naar premier Johnson loopt nog wel een parlementair onderzoek over zijn rol in het schandaal.We sluiten het feest af met vuurwerk.
- zich afsluiten voor: geen contact willen hebben metHij sloot zich af voor al het omgevingslawaai en studeerde hard door voor zijn examen.
Vertalingen
Engelsdisconnect
Duitsverschließen, abdrehen, sperren
Spaanscerrar, desconectar, terminar
Italiaanschiudere
Poolszamknać
Deensspærre, spærre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek