afspoeling
vrouwelijk (de)/'ɑfspulɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de keer dat men zich schoonmaakt met water; de keer dat men zich afspoelt met water
- het wegspoelen van een stuk grond door golfslag
- het wegstromen van stoffen uit een stuk grond
Etymologie
*afleiding van (nomact) van afspoelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek