afspoeling

vrouwelijk (de)/'ɑfspulɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men zich schoonmaakt met water; de keer dat men zich afspoelt met water
  2. het wegspoelen van een stuk grond door golfslag
  3. het wegstromen van stoffen uit een stuk grond

Etymologie

*afleiding van (nomact) van afspoelen