afspreken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een onderling vergelijk vastleggen, overeenkomen
    Zij spraken af om de vergadering te verzetten.
    Om de week spraken Genie, Jetfighter en ik af in een lokaal café om te ontbijten en de trailroddels door te nemen. We waren geen vaste trailfamilie, maar wel een sterke drie-eenheid die elkaar steeds opzocht.
    Achter hen stonden Max en Dennis met grote ogen te kijken naar de achterkant van een klein fototoestel dat Sander vasthield. Alsof het zo was afgesproken, stapte Denise de kamer binnen op het moment dat zij alle aanwezigen kort had bekeken.

Vertalingen

Duitsvereinbaren
Spaansconvenir
Poolsumówić sie