aftocht
mannelijk (de)/'ɑftɔxt/
Wat is de betekenis van aftocht?
aftocht betekent: het weggaan
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het weggaan
- vlucht na een verloren gevecht
Voorbeelden van "aftocht" in een zin
- De aftocht van de voetballers was grandioos, na die overwinning.
- Sommigen hadden het nog wel over een robbertje vechten met de vijand, maar in de lagere regionen waar Albert en zijn kameraden zaten, was men sinds de overwinning van de geallieerden in Vlaanderen, de bevrijding van Lille, de Oostenrijkse aftocht en de capitulatie van de Turken meestal een stuk minder uitbundig dan de officieren. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Uitdrukkingen
- De aftocht blazen — Ervandoor gaan, vluchten
Vertalingen
Engelsretreat
Fransretraite
DuitsAbzug
Spaansretirada
Italiaansritiro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek