aftrekken
/ˈɑftrɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (wiskunde) rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordtAls je drie van vijf aftrekt, krijg je twee.
- (ov) iets met een trekkende beweging losmaken, verwijderen door te trekkenHij heeft vandaag het blaadje van de scheurkalender afgetrokken.
- (ov) de trekker van een pistool overhalen
- (ov) kortenWij willen graag deze kosten aftrekken.
- (ov) (Limburg) een foto (van iets of iemand) makenAls u in het hokje gaat zitten trek ik u zo meteen af.
- (ov) (Limburg) de wc doorspoelenVergeet niet de wc af te trekken nadat je geplast hebt!
- (Noord-Nederland) (refl) (spreektaal) zich ~: masturberen van een man.
- (ov) (spreektaal) een man met de hand seksueel bevredigen
- (ov) een infusie (aftreksel) maken van ietsMen kan het zaad ook wel in wijn aftrekken of thee maken van de bladeren.
- (erga) (militair) het strijdperk of de belegering verlaten, zich verwijderen, weggaanToen de vijand eindelijk afgetrokken was, haalde de hele bevolking opgelucht adem en werd er feest gevierd.
Etymologie
* In de betekenis van ‘in de wiskunde: verminderen’ voor het eerst aangetroffen in 1445
Vertalingen
Engelssubtract, jerk off, jerk off
Franssoustraire, se tirer, se branler
Duitsabziehen, subtrahieren, wichsen
Spaanssustraer, substraer, descontar
Italiaanssottrarre
Poolsodejmować, odciągać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek