aftuigen
/ˈɑftœyɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (scheepvaart) ontdoen van alle tuigWij verzoeken u vriendelijk uw schip afgetuigd, zonder giek, sprayhood, dektent enzovoort aan te leveren.
- (ov) versieringen verwijderenIk zal de kerstboom maar gaan aftuigen, want hij verliest al zijn naalden.
- (ov) iemand een flinke afstraffing gevenDe bendeleden tuigden hem flink af en hij belandde in het ziekenhuis.
- (ov) een paard ontdoen van getuig na het trekken van een kar, of na bereden te zijn[https://www.bokt.nl/forums/viewtopic.php?f=21&t=939964 De officiele volgorde optuigen, inspannen, aftuigen?]
Etymologie
* In de betekenis van ‘afranselen’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Vertalingen
Duitsabtakeln, abschmücken, verprügeln
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek