Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

afvliegen op

/ΛˆΙ‘fliΙ£Ι™(n) Ι”p/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) op eigen kracht door de lucht benaderen
    Ze krijgt een extreme allergie-aanval als het beestje haar steekt en draagt dan ook een speciale wespenpen bij zich. Als de beestjes op haar afvliegen, slaat ze die van zich af. β€žJa, ik weet dat ze zeggen dat je stil moet blijven zitten. Maar dat is voor mij hetzelfde als op een spoorbaan gaan zitten als er een trein aan komt. Dat gaat ook niet vanzelf goed.”
    ,,De jagers stelen de ganzen omdat ze ze willen gebruiken als lokaas, als 'levende stal'”, legt boswachter Leo Smits uit. ,,Ze stelen de jonge dieren, laten ze thuis groot worden en knippen de vleugels kort zodat ze niet meer weg kunnen vliegen. De tamme, gekortwiekte vogels worden in een veld gezet, zodat ze andere, wilde ganzen kunnen lokken.” De ganzen die vervolgens op de lokganzen afvliegen, worden door de wachtende jagers neergeschoten.
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) gretig benaderen
    We kunnen ons voorstellen dat miljoenen lezeressen, en heel wat lezers afvliegen op de historische β€žromances” van iemand als bijv. de Amerikaanse schrijfster Rosemary Rogers, met veelbelovende titels als Wicked Lotring Lies of Sweet Savage Love.
  3. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) woedend benaderen
    Met een kreet rechtte die z'n rug, een rood gordijn zakte voor z'n ogen, met een ruk draaide hij zich om en sloeg Leo flitsend met z'n open hand en met alle kracht midden in het gezicht. (…) Leo krabbelde overeind, even leek het of hij op Albert wilde afvliegen, maar deze was hem voor. In een flits was hij uit z'n stoel gesprongen en met een ferme trap tegen de kin proefde Leo voor de tweede keer de klasvloer.

Etymologie

*(coll)