afvoer

mannelijk (de)/ˈɑfur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vervoer naar elders
    De afvoer van goederen was belemmerd door de opgebroken weg.
  2. techniek (techniek) leiding waardoor vloeistof, gas of stroom afgevoerd wordt
    De afvoer van de wasbak was verstopt.
    Toen hij door de werkkamer liep, dacht hij er zelfs aan om wat water in de gootstenen te laten lopen zodat de afvoer niet verstopt zou raken.

Etymologie

* van afvoeren

Vertalingen

Engelscarrying off, discharge, transport
Spaanstransporte, trasporte, desagüe